Maanlanding

Naslag

Tijdlijn van de maanverkenning

Van de eerste kunstmatige satelliet in 1957 tot de meest recente maanmissies van vandaag: deze tijdlijn volgt stap voor stap hoe de mensheid zich de maan eigen heeft gemaakt — en welke ambities er nu op tafel liggen.

De verkenning van de maan is geen rechte lijn geweest, maar een kronkelend pad van triomfen, tegenslagen, politieke strijd en wetenschappelijke nieuwsgierigheid. In minder dan vijftien jaar na de eerste kunstmatige satelliet liep een mens over het maanoppervlak — een duizelingwekkende versnelling die de mensheid nooit eerder had meegemaakt. Daarna volgden decennia van relatieve stilte, maar nu, meer dan vijftig jaar later, staat een nieuwe golf van maanverkenning op het punt van beginnen. Deze tijdlijn brengt die hele geschiedenis in kaart, van het begin van het ruimtetijdperk tot de plannen die nu in de steigers staan.

Het ruimtetijdperk begint: 1957–1960

Op 4 oktober 1957 schudde de wereld wakker met een nieuw soort geluid: het piepende radiosignaal van Spoetnik 1, de eerste kunstmatige satelliet. De Sovjet-Unie had een metalen bolletje ter grootte van een basketbal in een baan om de aarde gebracht, en daarmee begon de ruimtewedloop op volle kracht. In Amerika sloeg de schrik in; in Moskou klonk trots. Spoetnik toonde aan dat rakettechnologie niet langer alleen een militair middel was, maar ook een wetenschappelijk en politiek wapen van de eerste orde.

In november 1957 stuurde de Sovjet-Unie Spoetnik 2 de ruimte in met aan boord de hond Laika — het eerste levende wezen in een baan om de aarde. De Verenigde Staten reageerden met hun eigen satellieten en richtten in 1958 de ruimtevaartorganisatie NASA op. Beide landen begonnen onmiddellijk met het plannen van missies naar de maan. De eerste sondes misten hun doel of stortten neer, maar het experiment was begonnen.

In 1959 slaagde de Sovjet-Unie erin het eerste ruimtevaartuig op de maan te laten neerkomen: Luna 2 sloeg in september in op het maanoppervlak. Enkele weken later, in oktober 1959, fotografeerde Loena 3 de achterkant van de maan voor het eerst — beelden die de wereld verbaasden. De maan was niet langer een stipje aan de hemel, maar een echte bestemming.

De mens de ruimte in: 1961

Op 12 april 1961 schreef de Sovjet-Unie opnieuw geschiedenis: Joeri Gagarin werd de eerste mens die de ruimte bereikte. Zijn vlucht aan boord van Vostok 1 duurde slechts 108 minuten, maar de symbolische waarde was onmetelijk. De Sovjet-Unie leek de ruimtewedloop te winnen op alle fronten.

De Amerikaanse president John F. Kennedy besefte dat zijn land een klap had gekregen waarop een fors antwoord nodig was. Op 25 mei 1961, amper zes weken na Gagarins vlucht, hield hij zijn beroemde toespraak voor het Congres: de Verenigde Staten zouden vóór het einde van het decennium een mens op de maan zetten en hem veilig laten terugkeren. Het was een belofte die het land zou veranderen.

Kennedy's belofte in 1961

"We choose to go to the Moon in this decade and do the other things, not because they are easy, but because they are hard."
Met deze woorden in september 1962 aan de Rice University maakte Kennedy zijn belofte concreet. De financiering volgde: het NASA-budget groeide explosief en op het hoogtepunt werkte meer dan 400.000 mensen direct of indirect aan het Apollo-programma.

De opmars naar de maan: Project Mercury en Gemini (1961–1966)

Om de belofte van Kennedy waar te maken, moest NASA eerst bewijzen dat mensen in de ruimte konden overleven, manoeuvres konden uitvoeren en met elkaar konden koppelen in een baan om de aarde. Project Mercury (1958–1963) bracht de eerste Amerikanen in de ruimte. John Glenn omcirkelde de aarde in februari 1962 — een moment dat Amerika in zijn greep hield.

Daarna volgde Project Gemini (1961–1966), dat precies de technieken oefende die voor een maanvlucht nodig waren: ruimtewandelingen, koppelmanoeuvres en langdurig verblijf in de ruimte. Gemini was de brug tussen Mercury en Apollo.

Tegelijk voerden onbemande sondes verkenning uit. Het Amerikaanse Ranger-programma stuurde sondes die op het maanoppervlak insloegen en vlak voor de inslag foto's maakten. De Surveyor-sondes landden zacht en bewezen dat de bodem stevig genoeg was om een maanlander te dragen. Aan Sovjet-zijde bracht het Loena-programma steeds nieuwe verkenners voort.

Tegenslag en tragedy: Apollo 1 (1967)

Het Apollo-programma kende een dramatische tegenslag op 27 januari 1967. Tijdens een grondtest voor wat Apollo 1 zou worden, brak er brand uit in de commandomodule. De drie astronauten Gus Grissom, Ed White en Roger Chaffee kwamen om het leven voordat ze konden ontsnappen. Het was de eerste dodelijke ramp in de Amerikaanse ruimtevaart.

NASA hield het programma anderhalf jaar stil voor een diepgaand onderzoek en ingrijpende aanpassingen aan de commandomodule. De tragedie vertraagde de tijdlijn, maar de lessen die eruit werden getrokken, droegen bij aan de veiligheid van alle volgende missies.

Rond de maan: Apollo 8 (1968)

Na de herstart van het programma volgden testmissies. Apollo 8 in december 1968 was een keerpunt: voor het eerst vlogen mensen buiten de baan om de aarde. Frank Borman, Jim Lovell en William Anders maakten tien omwentelingen rond de maan en keerden veilig terug. Op Kerstavond lazen ze voor uit het boek Genesis en stuurden ze beelden van een opkomende aarde boven de maanhorison de wereld in — de beroemde “Earthrise”-foto.

Apollo 10 in mei 1969 was een generale repetitie: de maanlander daalde tot op vijftien kilometer boven het oppervlak maar landde opzettelijk niet. Alles was klaar voor de grote sprong.

De eerste landing: Apollo 11 (1969)

Op 20 juli 1969 landde de maanlander Eagle van Apollo 11 in de Zee der Rust. Neil Armstrong en Buzz Aldrin waren de eerste mensen op de maan; Michael Collins bleef in een baan wachten. In de nacht van 20 op 21 juli zette Armstrong als eerste mens voet op het maanoppervlak. Naar schatting zeshonderd miljoen mensen volgden de beelden live op televisie — een derde van de toenmalige wereldbevolking.

De astronauten verzamelden gesteentemonsters, plaatsten wetenschappelijke instrumenten en keerden veilig terug. Het doel dat Kennedy in 1961 had gesteld, was precies op tijd gehaald.

Verdere verkenning: Apollo 12 tot en met Apollo 17 (1969–1972)

Apollo 11 was het begin, niet het einde. In november 1969 landde Apollo 12 met grote precisie vlak naast de onbemande Surveyor 3-sonde, die al twee jaar eerder was geland. De astronauten monteerden zelfs onderdelen van die sonde af om mee terug te nemen voor onderzoek.

Apollo 13 in april 1970 werd de bijnaam “geslaagde mislukking” toebedeeld. Een explosie van een zuurstoftank op de heenweg zorgde voor een levensgevaarlijke situatie: de maanlanding werd geannuleerd en de bemanning gebruikte de maanlander als reddingsboot om levend terug te keren naar de aarde. Het was een van de meest dramatische reddingsoperaties in de ruimtevaartgeschiedenis.

De vier missies die volgden, waren elk wetenschappelijk ambitieuzer dan de vorige. Apollo 14 (februari 1971) landde in het Fra Mauro-gebied, het oorspronkelijke doelwit van Apollo 13. Apollo 15 (juli–augustus 1971) was de eerste missie met een maanwagen, waarmee de astronauten kilometers konden rijden en heel wat meer gesteente konden verzamelen. Apollo 16 (april 1972) verkende het Descartes-hoogland; Apollo 17 (december 1972) sloot de serie af met de langste verblijfsduur, de meeste gesteentemonsters en de enige geoloog die ooit op de maan liep: Harrison Schmitt.

In december 1972 klom Gene Cernan als laatste mens de ladder van de maanlander op. Hij sprak woorden die zowel afsluiting als belofte inhielden. Daarna steeg de maanlander op, en sindsdien is geen mens meer op de maan geweest.

In totaal liepen twaalf mensen over het maanoppervlak bij zes geslaagde landingen. Ze brachten samen bijna 382 kilogram aan maangesteente en -bodem mee terug, gegevens die wetenschappers tot op de dag van vandaag bestuderen.

De lange stilte: 1973–2003

Na Apollo 17 keerde de focus van de ruimtevaart zich van de maan af. De kosten van Apollo waren enorm geweest, de politieke drang was verminderd nu de ruimtewedloop in Amerikaanse ogen gewonnen was, en nieuwe projecten trokken de aandacht: het Skylab-ruimtestation, de Space Shuttle, en latere het Internationaal Ruimtestation ISS.

Onbemande sondes bleven de maan bestuderen. Japan, Europa en China stuurden in de jaren negentig en nul verkenners. De Indiase sonde Chandrayaan-1 leverde in 2008 het eerste concrete bewijs dat er waterijs aanwezig is in permanent beschaduwde kraters bij de maanpolen — een ontdekking met grote gevolgen voor toekomstige missies.

Een nieuwe generatie maanverkenning: 2010–heden

De 21ste eeuw bracht een ware renaissance van maanverkenning. Chang'e, het Chinese maanprogramma, groeide uit tot een van de meest succesvolle van deze tijd: Chang'e 3 landde in 2013 als eerste sonde in meer dan veertig jaar zacht op de maan; Chang'e 4 landde in 2019 op de achterkant van de maan, een primeur in de ruimtevaartgeschiedenis; Chang'e 5 bracht in 2020 monsters terug. India's Chandrayaan-3 landde in 2023 als eerste sonde bij de maanpool.

Met het Artemis-programma bereidt NASA zich voor op de terugkeer van mensen naar de maan. Artemis 1 vloog in 2022 onbemand om de maan; Artemis 2 zal een bemande vlucht om de maan uitvoeren en Artemis 3 moet de eerste vrouw en de eerste niet-blanke man op de maan zetten. Het programma beoogt ook een permanent aanwezigheidsinfrastructuur in de vorm van het Lunar Gateway-ruimtestation.

De tijdlijn van de maanverkenning is daarmee verre van afgesloten. Meer dan zestig jaar na Spoetnik staat de mensheid voor een nieuw tijdperk van verkenning, ditmaal met een breder internationale deelname en met ogen gericht op duurzame aanwezigheid in plaats van kortdurende bezoeken.