Ruimtewedloop
Project Mercury — het eerste Amerikaanse ruimteprogramma
Project Mercury was het eerste bemande ruimteprogramma van NASA en bewees dat Amerika in staat was mensen de ruimte in te sturen. Van 1958 tot 1963 legde het de menselijke en technische fundamenten voor alles wat met Apollo zou worden bereikt.
Project Mercury was het eerste programma waarmee de Verenigde Staten mensen de ruimte in stuurden. Het liep van eind 1958 tot 1963 en had een helder, bijna nuchter doel: begrijpen of een mens in de ruimte kon overleven, in een baan om de aarde gebracht kon worden en veilig kon terugkeren. Achter die sobere omschrijving school een reusachtige technische opgave, want niemand wist precies hoe het menselijk lichaam zou reageren op gewichtloosheid, vacuüm en de hitte van een terugkeer door de atmosfeer.
Mercury ontstond in het kielzog van een schok. Toen de Sovjet-Unie in oktober 1957 Spoetnik 1 lanceerde, werd in Washington pijnlijk duidelijk dat de Sovjet-Unie technologisch de leiding had genomen. Een jaar later lanceerde ze ook de eerste levende wezens in een baan om de aarde. De druk op de pas opgerichte NASA om te antwoorden was enorm, en Project Mercury was dat antwoord.
Project Mercury in kerngetallen
Looptijd: 1958–1963.
Doel: eerste Amerikaan in de ruimte en in een baan om de aarde.
Bemande vluchten: 6 (2 suborbitaal, 4 orbitaal).
Eerste Amerikaan in de ruimte: Alan Shepard, 5 mei 1961 (suborbitaal).
Eerste Amerikaan in een baan: John Glenn, 20 februari 1962.
Capsule: eenpersoons, slechts 1,7 m³ leefruimte.
De selectie van de Mercury Seven
In 1959 begon NASA aan een van de meest bekeken selectieprocedures uit de geschiedenis van de ruimtevaart. Uit honderden militaire testpiloten werden zeven mannen gekozen die de kern zouden vormen van het nieuwe astronautencorps: Alan Shepard, Gus Grissom, John Glenn, Scott Carpenter, Wally Schirra, Gordon Cooper en Deke Slayton. Ze stonden bekend als de “Mercury Seven”.
De selectiecriteria waren streng: kandidaten moesten jonger zijn dan veertig jaar, kleiner dan 180 centimeter (vanwege de krappe capsule), in uitstekende fysieke conditie verkeren en een aanzienlijke ervaring als testpiloot hebben opgebouwd. De zeven uitverkorenen werden onmiddellijk nationale beroemdheden; Life-magazine kocht de rechten op hun persoonlijke verhalen. Ze werden geportretteerd als perfecte Amerikanen — moedig, knap en vaderlandslievend — lang voordat een van hen ook maar een voet in een capsule had gezet.
Achter de glanzende façade was de realiteit grilliger. De mannen waren fel competitief en niet altijd eensgezind. Deke Slayton werd door een hartaandoening aan de grond gehouden en vloog pas in 1975, als onderdeel van het Apollo-Soyuz-programma, de ruimte in. Maar als groep vormden de Mercury Seven de morele ruggengraat van de vroege Amerikaanse ruimtevaart.
De capsule en de raketten
De Mercury-capsule was qua formaat meer een gepantserd kegelvormig pakket dan een ruimtevaartuig in de klassieke zin. Met een diameter van minder dan twee meter en een leefruimte van nauwelijks 1,7 kubieke meter paste de capsule nauwelijks om een mens heen. Astronauten stapten erin alsof ze een pak aantrokken: ze lagen op hun rug in een op maat gemaakte stoel en hadden letterlijk nauwelijks ruimte om te bewegen.
Voor de suborbitale vluchten gebruikte NASA de Redstone-raket, een erfenis van het militaire raketprogramma. Voor de orbitale vluchten — die meer kracht vereisten — werd overgestapt op de Atlas D, een intercontinentale ballistische raket die was omgebouwd voor bemannd gebruik. Beide raketten hadden een gemengde staat van dienst en waren tijdens onbemande testvluchten meermalen ontploft of mislukt. De astronauten waren zich maar al te bewust van de risico's.
Ham de chimpansee en de weg naar de ruimte
Voordat een mens de ruimte in ging, stuurde NASA dieren op testmissies. De beroemdste was Ham, een chimpansee die op 31 januari 1961 een suborbitale vlucht maakte en levend terugkeerde. Ham moest specifieke handelingen uitvoeren — hendels omzetten als reactie op lichtsignalen — om te bewijzen dat een levend wezen zinvolle taken kon uitvoeren in gewichtloosheid. De vlucht verliep grotendeels goed, al was de capsule bij de landing iets te ver afgedwaald. Ham overleefde en leefde nog lang na zijn ruimtecarrière.
Deze test gaf het groene licht voor de eerste bemande vlucht. De druk was groot: de Sovjet-Unie werkte aan hetzelfde doel. In april 1961, enkele weken voor de geplande vlucht van Alan Shepard, stuurde Moskou Joeri Gagarin in een volledige baan om de aarde. Amerika was opnieuw ingehaald.
Alan Shepard: de eerste Amerikaan in de ruimte
Op 5 mei 1961 klom Alan Shepard in zijn Mercury-capsule, die hij de naam Freedom 7 had gegeven. Na herhaalde vertragingen steeg de Redstone-raket op vanaf Cape Canaveral. De vlucht duurde vijftien minuten en drieëntwintig seconden. Shepard bereikte een hoogte van 187 kilometer, ervoer enkele minuten gewichtloosheid en landde in de Atlantische Oceaan, waar hij door een helikopter werd opgepikt.
Het was geen orbitale vlucht — Shepard cirkelde niet om de aarde — maar het was wel een doorbraak. Voor het eerst had een Amerikaan de ruimte bereikt en was levend teruggekeerd. Shepard werd ontvangen als een held. President Kennedy begroette hem in het Witte Huis, en de vlucht gaf het momentum dat Kennedy nodig had om drie weken later zijn beroemde uitdaging uit te spreken: een mens op de maan voor 1970.
Gus Grissom volgde Shepard met een tweede suborbitale vlucht in juli 1961. Na de landing zonk zijn capsule bijna, een incident dat Grissom levenslang achtervolgde. Hij zou zes jaar later omkomen bij de brand van Apollo 1.
John Glenn: Amerika in een baan om de aarde
De stap naar echte orbitale vluchten vereiste de krachtigere Atlas-raket en meer voorbereiding. Op 20 februari 1962 was het zover: John Glenn steeg op in zijn capsule Friendship 7 en maakte drie omwentelingen om de aarde. De vlucht duurde bijna vijf uur. Glenn ervoer gewichtloosheid, fotografeerde de aarde vanuit een baan, en meldde de beroemde “fireflies” — lichtgevende deeltjes die hij zag zweven rondom zijn capsule (later bleek het condensatie van de stuurraketten te zijn).
Tijdens de vlucht dook een verontrustend signaal op: de sensor leek aan te geven dat de warmteschild los zat. Als dat klopte, zou Glenn bij de terugkeer verbranden. Na overleg besloot de vluchtleiding hem de retro-pakketband — normaal afgestoten na gebruik — te laten bevestigd houden in de hoop dat die de schild op zijn plek zou houden. De terugkeer verliep goed; later bleek de sensor defect te zijn geweest. Maar de spanning was reëel.
John Glenn werd de meest gevierde astronaut van zijn generatie. Zijn naam was synoniem met moed en competentie. Decennia later, in 1998, zou hij op 77-jarige leeftijd met de Space Shuttle terugkeren naar de ruimte — de oudste mens die ooit de ruimte in is geweest.
De overige Mercury-vluchten
Na Glenn volgden nog vier Mercury-orbitale missies. Scott Carpenter maakte in mei 1962 drie omwentelingen maar landde ver van het doelgebied. Wally Schirra vloog in oktober 1962 zes banen in een vrijwel perfecte mission. Gordon Cooper sloot het programma af in mei 1963 met een vlucht van 22 omwentelingen en ruim 34 uur — de langste Mercury-missie. Hij sliep zelfs even tijdens de vlucht, het eerste bewijs dat astronauten onder de druk van de ruimte ook gewoon konden rusten.
Elke vlucht leverde nieuwe kennis op: over de fysiologie van de mens in gewichtloosheid, over de betrouwbaarheid van systemen, over de communicatie tussen astronaut en vluchtleiding. Die kennis was goud waard voor de volgende stap.
De erfenis van Mercury voor Gemini en Apollo
Zonder Project Mercury had er geen Project Gemini bestaan, en zonder Gemini had Apollo nooit de maan bereikt. Mercury toonde aan dat mensen de ruimte konden overleven en er nuttig werk konden verrichten. Het trainde een eerste generatie astronauten en een eerste generatie vluchtcontroleurs. Het schiep de procedures, de terminologie en de cultuur die NASA's identiteit zouden bepalen.
Meer dan dat: Mercury maakte van ruimtevaart iets wat het Amerikaanse publiek dagelijks volgde. De vluchten werden live uitgezonden op televisie; miljoenen Amerikanen staakten hun dagelijks werk om mee te kijken. Die volkssteun was politiek onontbeerlijk voor de miljarden dollars die het Apollo-programma zou vergen. En op de achtergrond werd al gewerkt aan de raket die de maan bereikbaar zou maken: de Saturnus V, ontworpen door het team van Wernher von Braun.
Project Mercury was kort, bescheiden in middelen en soms roekeloos dapper. Maar het was het eerste bedrijf van een toneelstuk dat eindigde met mensen die in de Zee der Rust liepen.