Maanlanding

Astronauten

De astronauten van het Apollo-programma

Het Apollo-programma was het werk van honderden astronauten, ingenieurs en technici. De ruimtevaarders zelf vormden een kleine, zorgvuldig geselecteerde elite. Dit is hun verhaal: van de eerste selectieronde in 1959 tot de laatste maanvlucht in 1972.

Als mensen aan het Apollo-programma denken, denken ze aan Neil Armstrong die de ladder van de Eagle afdaalt, aan Buzz Aldrin die naast de vlag staat, aan Michael Collins die eenzaam om de maan cirkelt. Maar het Apollo-programma was veel breder dan de befaamde namen uit de twee eerste maanlandingen. In totaal vlogen 24 astronauten naar de maan; twaalf van hen maakten een maanwandeling, twaalf anderen bleven aan boord van de commandomodule of vlogen alleen om de maan.

Achter hen stond een nog grotere groep: astronauten die voor Apollo werden opgeleid maar nooit vlogen omdat hun missie werd geannuleerd of omdat ze door andere omstandigheden de vlucht misten. En nog verder achter hen: de honderden engineers, vluchtleiders en technici bij NASA die de missies mogelijk maakten. Dit artikel concentreert zich op de astronauten zelf — hun herkomst, selectie, training en rollen.

De eerste selectieronde: de Mercury Seven (1959)

Voordat Apollo überhaupt bestond, selecteerde NASA in 1959 haar eerste zeven astronauten, de zogeheten Mercury Seven. Ze werden gekozen uit militaire testpiloten: mannen met een vliegbrevet, een universitaire opleiding in techniek of wiskunde, en ervaring met straaljagers. De zeven waren: Alan Shepard, Gus Grissom, John Glenn, Scott Carpenter, Gordon Cooper, Wally Schirra en Deke Slayton.

Van deze zeven zouden er drie ook bij Apollo vliegen. Alan Shepard, de eerste Amerikaan in de ruimte, werd commandant van Apollo 14 en liep op de maan. Gus Grissom overleed bij de ramp van Apollo 1 in januari 1967, samen met Ed White en Roger Chaffee, tijdens een grondtest. Wally Schirra vloog Apollo 7 in 1968, de eerste bemande Apollo-test in aardbaan.

De New Nine en latere groepen

Naarmate het ruimtevaartprogramma uitbreidde, groeide ook de behoefte aan meer astronauten. In 1962 selecteerde NASA de tweede groep, de “New Nine”: negen piloten die de ruggengraat zouden vormen van zowel het Gemini- als het Apollo-programma. Tot deze groep behoorden Neil Armstrong, Frank Borman, Pete Conrad, Jim Lovell, Jim McDivitt, Elliott See, Tom Stafford, Ed White en John Young.

White en See zouden vroeg overlijden: White bij Apollo 1, See bij een vliegtuigongeluk. De overigen vlogen allemaal een of meerdere keren de ruimte in. John Young en Jim Lovell behoren tot de meest gevlogen astronauten uit de Apollo-era: Young vloog zes missies (waaronder Apollo 16 en de eerste Space Shuttle-vlucht), Lovell vier (waaronder de dramatische Apollo 13).

In 1963 volgde de derde groep, de “Fourteen”, met onder anderen Buzz Aldrin, Michael Collins, Gene Cernan en David Scott. In 1965 selecteerde NASA haar vierde groep: de eerste wetenschapper-astronauten, met onder anderen Harrison Schmitt. In 1966 volgde de vijfde en grootste groep, met negentien piloten. Beide groepen leverden astronauten die een cruciale rol speelden in de maanmissies; Schmitt vloog uiteindelijk als de enige getrainde geoloog naar de maan, als onderdeel van Apollo 17.

De rol van testpiloten

Een rode draad in de selectie van Apollo-astronauten was de achtergrond als testpiloot. Dit was geen toeval. Testpiloten waren gewend om nieuwe, onbeproefde vliegtuigen in de lucht te houden, snel beslissingen te nemen en kalm te blijven onder druk. In de vroege jaren zestig was de ruimtecapsule in wezen een extreem geavanceerd experimenteel vliegtuig, en de astronauten moesten het toestel ook kunnen vliegen als de automatische systemen uitvielen.

Armstrong had voor NASA vliegtuigen getest op de beroemde Edwards Air Force Base in Californië, waaronder de X-15 raketvliegtuig die de grens van de ruimte naderde. Cernan had als marinepiloot op vliegdekschepen gevlogen voordat hij astronaut werd. Scott was getraind op de gevechtsvliegtuigen van de Koude Oorlog. De selectieprocedure voor astronauten was in essentie een verfijnde versie van de testpiloten-cultuur: zelfdiscipline, technische beheersing en emotionele stabiliteit als vereisten.

In de loop van het Apollo-programma versoepelde dit criterium enigszins. De wetenschapper-astronauten van 1967 hadden geen verplichte testpilotenachtergrond, maar moesten wel een vliegbrevet halen als onderdeel van hun training. Het benadrukte hoe sterk de vliegcultuur verankerd was in NASA's identiteit.

De drie rollen per Apollo-missie

Elke Apollo-maanvlucht had drie bemanningsleden, elk met een duidelijk omschreven rol. De commandant (CDR) was verantwoordelijk voor de gehele missie, nam de kritieke beslissingen en maakte de maanwandeling. De maanlander-piloot (LMP) vergezelde de commandant naar het oppervlak en was verantwoordelijk voor de maanlander. De commandomodule-piloot (CMP) bleef alleen achter in de commandomodule in een baan om de maan en was verantwoordelijk voor dat vaartuig.

Die CMP-rol was in zekere zin de meest ondankbare van de drie. De commandomodule-piloten vlogen naar de maan maar landden er nooit. Ze kwamen dichter bij de maan dan vrijwel ieder ander mens ooit, maar liepen er toch niet op. Michael Collins, die Apollo 11 in zijn baan hield terwijl Armstrong en Aldrin beneden waren, zei later dat hij zich niet eenzaam had gevoeld. Maar hij was wel het meest geïsoleerde mens in de geschiedenis: volledig achter de maan, buiten radiocontact met zowel de aarde als zijn collega's, gedurende 48 minuten per omloop.

Toch was de CMP-rol wetenschappelijk buitengewoon waardevol. Vanuit de baan om de maan fotografeerden en observeerden de commandomodule-piloten het maanoppervlak systematisch, verzamelden data voor toekomstige missies en bereidden de rendezvous met de stijgende maanlander voor. Zonder hun werk waren de maanlandingen van de latere, uitgebreidere missies moeilijker geweest.

Training: hoe word je Apollo-astronaut?

Eenmaal geselecteerd wachtte een intensief trainingsprogramma. De basis bestond uit vliegtraining, om de astronauten vertrouwd te maken met een breed spectrum aan vliegtuigen. Daarna volgde een uitgebreide technische opleiding: de astronauten moesten de systemen van de commandomodule en de maanlander van binnen en van buiten kennen. Ze oefenden in simulatoren die elke fase van de missie konden nabootsen, inclusief noodsituaties.

Voor de maanlandingsmissies kwamen geologieopleidingen bij. De astronauten gingen op veldtrips naar vulkanische gebieden, maanachtige woestijnen en geologisch interessante formaties om te leren hoe ze gesteentemonsters moesten herkennen, beschrijven en verzamelen. Die geologie-trainingen waren aanvankelijk unpopulair bij de militaire piloten, maar velen kwamen er later op terug en erkenden dat ze van onschatbare waarde waren geweest tijdens de missies.

Specifiek voor de maanlanding bestond er ook een trainingsvoertuig: de Lunar Landing Training Vehicle (LLTV), een wankel, oncomfortabel apparaat dat de vliegkarakteristieken van de maanlander in de zwaartekracht van de aarde moest nabootsen. Het voertuig was berucht gevaarlijk; meerdere astronauten maakten er hachelijke nooduitzwaaien mee. Armstrong ontsnapte op de valreep aan een fatale crash. Het gebruik van de LLTV liet zien hoe ver NASA bereid was te gaan in het realisme van de training.

Astronauten die naar de maan vlogen maar niet landden

Twaalf mannen liepen op de maan; twaalf anderen vlogen ernaar maar raakten het oppervlak nooit. De commandomodule-piloten die de maanwandelaars ondersteunden zijn even veel deel van het Apollo-verhaal als de mannen die uitstapten. Naast Michael Collins (Apollo 11) behoren Dick Gordon (Apollo 12), Stuart Roosa (Apollo 14), Alfred Worden (Apollo 15), Ken Mattingly (Apollo 16) en Ronald Evans (Apollo 17) tot deze groep.

Mattingly verdient een aparte vermelding: hij werd kort voor Apollo 13 uit de bemanning gehaald omdat hij was blootgesteld aan rodehond. Jack Swigert verving hem. Ironisch genoeg werd Mattingly nooit ziek. Hij vloog later Apollo 16.

Daarnaast waren er de astronauten die de maan omcirkelden zonder te landen: Frank Borman, Jim Lovell en William Anders (Apollo 8 — de eerste bemande vlucht om de maan, december 1968), en Tom Stafford, John Young en Gene Cernan (Apollo 10 — de generale repetitie in mei 1969). Cernan en Young kwamen bij Apollo 10 tot op 15 kilometer van de maan en vlogen later opnieuw naar de maan om er wél op te landen.

De rol van het Gemini-programma als opleiding

Veel Apollo-astronauten hadden hun ervaring opgebouwd via Project Gemini, het tussenliggende programma tussen Mercury en Apollo. Gemini testte de technieken die voor een maanmissie onmisbaar waren: ruimtewandelingen, koppelingsmanoeuvres, langdurige vluchten van twee weken en precieze aardse terugkeer. Zonder de lessen van Gemini was Apollo niet mogelijk geweest.

Armstrong en Aldrin hadden beiden Gemini-missies gevlogen. Armstrong overleefde een gevaarlijk moment bij Gemini 8, waarbij een stuwrakettje bleef steken en het vaartuig in een wilde spin terechtkwam. Met uiterste koelbloedigheid slaagde hij erin het vaartuig te stabiliseren. Aldrin specialiseerde zich bij Gemini 12 in de techniek van de ruimtewandeling, die tot dan toe veel problemen had opgeleverd. Zijn methodische aanpak bewees dat een astronaut effectief buiten het vaartuig kon werken — een cruciale demonstratie voor de maanmissies die volgden.

Het menselijk gezicht van een technisch programma

De astronauten van Apollo waren publieke figuren, maar achter de koele technocratische buitenkant schuilde een divers gezelschap van persoonlijkheden. Armstrong was introvert en precies. Cernan was extravert en emotioneel. Schmitt was een academicus in een vliegerspak. Shepard was zakelijk en ambitieus. Bean werd na zijn vlucht een bekende schilder die zijn maanherinneringen in doeken omzette.

Sommigen hadden moeite met de naglinstering van de roem. Anderen — zoals Buzz Aldrin — worstelden openlijk met psychische gevolgen van de missie, met de onmogelijkheid om na de maan nog iets te doen dat daar tegenop kon. De psychologische impact van het Apollo-avontuur op de astronauten zelf is pas in latere decennia breed besproken.

Hun gemeenschappelijke erfenis is onbetwistbaar: zij vertegenwoordigden de mensheid op de meest letterlijke manier denkbaar, door voet te zetten op een andere wereld. Wie de bredere context van het programma wil begrijpen — de politieke achtergrond, de ruimtewedloop, de technologie — vindt daarvoor uitgebreide informatie op de pagina's over het Apollo-programma als geheel en over de ruimtewedloop die het aandreef. Een volledig overzicht van wie er daadwerkelijk op de maan liepen staat bij alle twaalf maanwandelaars.

De Apollo-astronauten en de erfenis voor de toekomst

Het Apollo-programma eindigde formeel met Apollo 17 in december 1972, maar de astronauten die het vlogen bleven decennialang een rol spelen in het publieke debat over ruimtevaart. Velen getuigden voor het Congres, schreven memoires, werkten mee aan documentaires en bleven NASA adviseren. Hun getuigenissen over wat het betekende om de aarde van ver weg te zien droegen bij aan het groeiende milieu- en aardbewustzijn van de jaren zeventig.

Met het Artemis-programma treedt een nieuwe generatie astronauten in hun voetsporen. De lessen die de Apollo-astronauten leerden — over samenwerking, over de grenzen van het menselijk lichaam en de geest, over wat nodig is om mensen veilig op een ander hemellichaam te laten functioneren — zijn nooit volledig verloren gegaan. Ze zijn opgeslagen in rapporten, in de herinneringen van de overlevenden en in de cultuur van NASA die generaties heeft overbrugd.

De eerste mens die straks weer op de maan stapt zal de eerste stap van Armstrong als referentie hebben, en de woorden van de laatste stap van Cernan als belofte die eindelijk wordt ingelost. De astronauten van Apollo gingen als eersten; de astronauten van Artemis gaan als opvolgers. De continuïteit van menselijke nieuwsgierigheid is sterker dan elke politieke of budgettaire tegenwind.