Maanlanding

Apollo-missies

Apollo 10 — de generale repetitie

In mei 1969 vloog Apollo 10 als de meest volledige repetitie voor de maanlanding ooit uitgevoerd. Thomas Stafford en Gene Cernan daalden met de maanlander tot op veertien kilometer van het maanoppervlak — maar landden bewust niet. Twee maanden later zou Apollo 11 de sprong wél maken.

Apollo 10 is de meest onbekende van de grote Apollo-mijlpalen — en misschien wel de meest onderschatte. De missie van mei 1969 deed alles wat een maanlanding vereiste, behalve de landing zelf. De maanlander daalde werkelijk af naar het oppervlak van de maan, de procedures werden volledig doorlopen, de communicatieverbindingen werden getest, de landingsplaats werd nauwkeurig in kaart gebracht — en daarna keerden Thomas Stafford en Gene Cernan terug naar de baan, zonder ooit te landen. Het was een beslissing die opzettelijk was en buitengewoon gedisciplineerd. Zij hadden de wereld letterlijk in handen kunnen hebben, maar volgden het protocol.

De missie besloeg ook een primeur die weinig publiciteit kreeg: de bemanning van Apollo 10 bevindt zich in het Guinness World Records als de mensen die ooit de hoogste snelheid hebben bereikt die mensen ooit hebben gehaald — meer dan 39.895 kilometer per uur bij de terugkeer richting aarde op 26 mei 1969. Het was meer dan een repetitie; het was een reis naar het uiterste van wat de technologie en de moed van astronauten aankonden.

Apollo 10 in kerncijfers

Lancering: 18 mei 1969, Kennedy Space Center, Florida.
Bemanning: Thomas Stafford (commandant), John Young (piloot commandomodule), Eugene Cernan (piloot maanlander).
Laagste punt boven maan: circa 14,4 kilometer.
Banen om de maan: 31.
Terugkeer op aarde: 26 mei 1969, Stille Oceaan.
Totale vluchttijd: 8 dagen, 0 uur en 3 minuten.

De bemanning: drie veteranen

De drie astronauten die Apollo 10 vlogen, waren allemaal ervaren mannen met eerdere ruimtevluchten achter de rug. Thomas Patten Stafford was een luchtmachtkolonel en testpiloot uit Oklahoma die al twee Gemini-missies had gevlogen. Als commandant van Apollo 10 stond hij voor de taak om niet alleen de vlucht veilig te voltooien, maar ook om de verleiding te weerstaan om zomaar even door te gaan naar het oppervlak.

John Watts Young was wellicht de meest veelzijdige astronaut van zijn generatie. Hij had al twee Gemini-missies gevlogen en zou later Apollo 16 commanderen — waarbij hij zelf op de maan zou lopen — én als eerste de Space Shuttle besturen. Bij Apollo 10 bleef hij als piloot van de commandomodule in de maanbaan terwijl Stafford en Cernan afdaalden.

Eugene Andrew Cernan was een marine-aviator die zijn eerste ruimtevlucht had gemaakt tijdens Gemini 9 in 1966. Bij Apollo 10 vloog hij als piloot van de maanlander. Zijn naam zou later de geschiedenisboeken ingaan als de laatste mens op de maan: als commandant van Apollo 17 in december 1972 klom hij als laatste de ladder op. Maar in mei 1969 was hij nog de copiloot op een missie die stoppen op veertien kilometer hoogte als succes definieerde.

De context: waarom een generale repetitie?

Na het succes van Apollo 8 en de geslaagde test van Apollo 9 — die in een baan om de aarde voor het eerst de volledige combinatie van commandomodule en maanlander had uitgetest — was er in principe genoeg vertrouwen om te proberen te landen. Toch besloot NASA tot een extra stap. De reden was enkelvoudig: de combinatie van alle systemen in een echte maanbaan testen was iets fundamenteel anders dan een test in een aardbaan.

De maanlander moest functioneren in de zwaartekracht van de maan, de navigatie moest werken met de precieze tijdstippen en banen die in een echte landing nodig waren, de communicatie tussen de lander, de commandomodule en het controlecentrum in Houston moest vlekkeloos verlopen, en de landingsplek voor Apollo 11 moest grondig worden gefotografeerd en in kaart gebracht. Dat alles vroeg om een echte vlucht naar de maan — en de beslissing om daarin de landing weg te laten was even weloverwogen als gedurfd.

Het vertrek en de reis

Op 18 mei 1969, om 16:49 UTC, verliet de Saturnus V-raket lanceercomplex 39B. De lancering verliep vlekkeloos. Na twee banen om de aarde werd de trans-lunar injection uitgevoerd en koerste Apollo 10 op weg naar de maan. Op 21 mei bereikte het vaartuig de maanbaan via een remmanoeuvre.

Stafford en Cernan stapten over in de maanlander, die zij de bijnaam “Snoopy” hadden gegeven, terwijl de commandomodule van Young “Charlie Brown” heette — een verwijzing naar de destijds populaire Peanuts-stripfiguren. De namen pasten bij de luchtige toon die de bemanning aansloeg; achter die toon ging uiteraard een buitengewone concentratie en precisie schuil.

De afdaling: tot op veertien kilometer

Op 22 mei 1969 koppelden Stafford en Cernan los van Young in Charlie Brown en begonnen aan hun afdaling met Snoopy. In twee fasen daalde de maanlander naar zijn laagste punt: circa 14,4 kilometer boven het maanoppervlak. Vanaf die hoogte was het oppervlak dichterbij dan de meeste mensen ooit van de grond zijn geweest in een vliegtuig, maar de landing zelf bleef achterwege.

Vanuit dit lage punt konden Stafford en Cernan de beoogde landingsplaats van Apollo 11 nauwkeurig bekijken: het zuidwestelijk deel van de Zee der Rust. Zij fotografeerden het terrein uitvoerig, controleerden de navigatiesystemen en beoordeelden de visuele referentiepunten die de volgende bemanning nodig zou hebben. Wat zij zagen stelde gerust: het terrein leek voldoende vlak voor een landing.

Tijdens de laagste fase van de afdaling ondervond de maanlander een onverwacht navigatieprobleem. Door een foutieve schakelaarstand begon Snoopy plotseling snel te roteren — een incident dat Cernan later beschreef als een van de angstaanjagende momenten van de missie. Stafford herstelde de situatie snel door handmatig in te grijpen en het probleem te corrigeren voor het kritiek werd. Het incident benadrukte hoe weinig marge er was en hoe snel dingen konden misgaan.

Waarom landden ze niet?

Een vraag die vaak wordt gesteld: als ze al zo dicht bij de maan waren, waarom landden Stafford en Cernan dan niet gewoon? Het antwoord heeft meerdere dimensies. Ten eerste was de maanlander van Apollo 10 te zwaar geladen voor een veilige terugkeer: hij droeg meer brandstof dan nodig voor een landing zou zijn geweest, en het terugstijgen had mogelijk niet genoeg stuwkracht opgeleverd om de maanbaan weer te bereiken.

Ten tweede — en misschien wel doorslaggevend — was de beslissing een weloverwogen beleidsmatige keuze van NASA. De primeur van de eerste maanlanding moest toekomen aan een speciaal daarvoor samengestelde missie, met de juiste astronauten, de juiste uitrusting en de juiste procedures. Apollo 10 was de repetitie; Apollo 11 zou de uitvoering zijn. Om iedere twijfel weg te nemen, was de maanlander van Apollo 10 bewust zo geconfigureerd dat een landing technisch onverantwoord zou zijn geweest.

Stafford zelf heeft in interviews erkend dat de verleiding reëel was. Maar de discipline om het plan te volgen was even reëel. “We were told not to land, and we didn't,” zei hij later eenvoudig.

De terugkeer en het snelheidsrecord

Na het voltooien van hun taken in de lage baan stegen Stafford en Cernan op uit hun laagste punt en koppelden opnieuw aan bij Young in de commandomodule. De maanlander Snoopy werd afgestoten en vloog uiteindelijk in een baan om de zon — hij is tot op de dag van vandaag de enige maanlander die de maan heeft verlaten zonder te zijn neergestort. Astronomen hebben berekend dat Snoopy ergens in de ruimte rondzweeft, en er zijn pogingen gedaan om hem te traceren.

Op 26 mei 1969 trad Apollo 10 de dampkring van de aarde binnen en haalde daarbij een snelheid van 39.897 kilometer per uur — de hoogste snelheid die mensen tot op heden hebben bereikt en tot op heden niet overtroffen. De capsule landde in de Stille Oceaan en werd opgehaald door het vliegdekschip USS Princeton. Alle drie bemanningsleden waren ongedeerd.

Betekenis voor Apollo 11 en de ruimtewedloop

De missie van Apollo 10 beantwoordde de cruciale vragen die NASA nog had voor de eerste landing. De navigatiesystemen werkten in de echte maanomgeving; de communicatie was betrouwbaar; de landingsplaats was geschikt; de procedures waren getoetst. Minstens even belangrijk: de menselijke factor was getest. Stafford en Cernan hadden bewezen dat astronauten de discipline konden opbrengen om een vlucht te beëindigen zoals gepland, zelfs wanneer het doel binnen handbereik was.

In de context van de ruimtewedloop bevestigde Apollo 10 dat de Amerikanen op schema lagen. Twee maanden later, op 20 juli 1969, landde de maanlander Eagle van Apollo 11 op exact de plek die Stafford en Cernan hadden verkend. De missie die John F. Kennedy in 1961 had beloofd, werd ingelost mede dankzij de nauwgezetheid van de bemanning van Apollo 10.

Cernan zelf keerde nog terug naar de maan als commandant van Apollo 17 in december 1972. Daarin sloot hij de cirkel die hij als piloot van Apollo 10 had geopend: van de man die veertien kilometer boven het oppervlak had gehangen en niet mocht landen, naar de laatste mens die de maan verliet. Zijn woorden bij vertrek in 1972 waren een echo van alles wat Apollo 10 had voorbereid: “America's challenge of today has forged man's destiny of tomorrow.”

De erfenis van de “bijna-landing”

Apollo 10 leeft in de publieke verbeelding als de missie die bijna de eerste was maar het net niet deed. Dat is een onvolledige lezing. Het was juist de opzettelijkheid van het niet-landen die Apollo 10 zijn historische waarde gaf. Elke geslaagde landing daarna — alle zes — is mede gebouwd op de nauwkeurige gegevens en procedures die Apollo 10 opleverde.

Het NASA-museum in Houston bewaart de commandomodule Charlie Brown, die bezoekers kunnen bekijken. Snoopy zelf zweeft ergens in de ruimte — de enige maanlander die de maan heeft verlaten zonder erop te landen — een passend symbool voor een missie die alles deed behalve het laatste, meest zichtbare stap. Wie het succes van de twaalf maanwandelaars wil begrijpen, moet ook begrijpen wat er voorafging aan die eerste voetstap: de discipline, de precisie en de moed van de generale repetitie.