Maanlanding

Apollo-missies

Apollo 12 — de tweede maanlanding

Vier maanden na de historische eerste landing van Apollo 11 bewees Apollo 12 dat de maanlanding geen geluk was geweest: de bemanning trof met millimeternauwkeurigheid de gewenste landingsplek, op een steenworp afstand van de eerder gestuurde Surveyor 3-sonde.

Apollo 12 is de missie die bewijst dat mensen niet alleen op de maan konden landen, maar ook waar ze wilden. Terwijl Apollo 11 in de Zee der Rust neerkwam op een geschikte plek die deels werd bepaald door de automatische piloot, zette Apollo 12 in november 1969 een nieuwe standaard: een zogeheten pinpoint-landing, pal naast de twee jaar eerder gearriveerde robotsonde Surveyor 3. Die prestatie was niet alleen een navigatiekunstje; het opende de deur voor de meer wetenschappelijk ambitieuze missies die zouden volgen. Tegelijk had Apollo 12 zijn eigen drama al in de eerste seconden na lancering: een blikseminslag die het ruimtevaartuig bijna had uitgeschakeld.

Apollo 12 in het kort

Lancering: 14 november 1969, Kennedy Space Center.
Landing op de maan: 19 november 1969, Oceanus Procellarum (Oceaan der Stormen).
Maanwandelingen: twee EVA's, totaal ongeveer 7,5 uur buiten.
Bemanning: Pete Conrad (commandant), Dick Gordon (CMP), Alan Bean (LMP).
Terugkeer: 24 november 1969, landing in de Stille Oceaan.
Meegebracht: circa 34 kilogram maangesteente en -stof, plus onderdelen van Surveyor 3.

De blikseminslag vlak na lancering

Op 14 november 1969 steeg de Saturnus V op in bewolkt weer boven Florida. Slechts 36 seconden na lancering trof een bliksemschicht het vaartuig; nog eens 16 seconden later volgde een tweede inslag. Op slag vielen in de commandomodule tientallen waarschuwingslichten aan. Stroom in meerdere systemen viel uit en de brandstofcellen die elektriciteit moesten leveren, gingen van het net. Commandant Pete Conrad meldde laconiek: “I don't know what happened, I don't know what happened — we had everything in the world drop out.”

In Houston begreep vluchtleider John Aaron onmiddellijk wat er aan de hand was. Hij had dit patroon al eens in een testrun gezien en kende de oplossing: schakel de zogeheten Signal Conditioning Equipment-schakelaar (SCE) naar de stand “Auxiliary”. Aaron gaf de instructie door; de jonge missiespecialist Al Bean wist welke schakelaar het was en trok hem om. Binnen seconden kwamen de systemen weer tot leven. De missie kon doorgaan — en was pas net begonnen.

De blikseminslag had zelf nauwelijks schade aangericht; het probleem was dat de ontladingen de elektrische systemen aan boord tijdelijk hadden gereset. De Saturnus V had tijdens de weg omhoog zijn eigen bliksemafleider gevormd, een bekende eigenschap van grote raketten die sindsdien meeweegt bij weerdrempels voor lancering. Bij latere Apollo-missies werd bij bewolkt of bliksemrisico vol aan de rem gestapt.

De bemanning: Conrad, Gordon en Bean

Pete Conrad was een van de meest kleurrijke figuren in het NASA-astronautenkorps. Kompakt, energiek en bekend om zijn gevoel voor humor, had hij al tijdens Project Gemini zijn vliegkwaliteiten bewezen. Zijn keuze als commandant van Apollo 12 was allesbehalve een verrassing; hij stond bekend als een van de beste piloten van zijn generatie. Conrad zou straks de derde mens op de maan worden, maar hij deed het op zijn eigen manier: spelend met de verwachting dat zijn eerste woorden op de maan diepzinnig zouden zijn, had hij met een vriendin een weddenschap afgesloten dat hij zelf kon bepalen wat hij zei. En dus klonk het bij de eerste stap: “Whoopee! Man, that may have been a small one for Neil, but that's a long one for me!”

Richard “Dick” Gordon was de piloot van de commandomodule Yankee Clipper. Net als Michael Collins bij Apollo 11 bleef Gordon in een baan om de maan terwijl zijn twee collega's beneden waren. Gordon had al een spacewalk op zijn naam staan uit de Gemini-12-missie. Zijn baan om de maan gaf hem een uniek vogelperspectief op het maanoppervlak; vanuit zijn raam zocht hij alvast de landingszone op en maakte foto's ten behoeve van latere missies.

Alan Bean was de piloot van de maanlander Intrepid en de jongste van het drietal. Voor hem was dit zijn eerste ruimtevlucht, maar zijn technisch vernuft — hij zou later onder meer de SCE-schakelaar omzetten bij de bliksemcrisis — bewees zijn waarde. Bean groeide later uit tot een succesvol kunstschilder die zijn maanherinneringen op doek vastlegde, als een van de weinigen die letterlijk wisten hoe het maanstof aanvoelde.

Koers naar de Oceaan der Stormen

Na de bliksemschrik verliep de reis naar de maan zonder bijzonderheden. Drie dagen na lancering bereikte Apollo 12 de maan en brachten Conrad en Bean de Intrepid in positie voor de afdaling naar de Oceanus Procellarum, de Oceaan der Stormen, een breed donker lavavlak aan de westzijde van de maanschijf die we vanaf de aarde kunnen zien. Het was een bewuste keuze: hier lag Surveyor 3, de onbemande sonde die in april 1967 was geland. Als Conrad en Bean erin slaagden vlakbij te landen, konden ze de sonde onderzoeken op de effecten van twee jaar blootstelling aan het ruimtemilieu.

De precieze afdaling vereiste zorgvuldige navigatie. In tegenstelling tot Apollo 11, waarbij de bemanning pas laat in de afdaling zicht kreeg op de landingszone, was bij Apollo 12 de route nauwgezet geprogrammeerd. Conrad zag de krater Surveyor — vernoemd naar de sonde die er in stond — al vroeg in zijn blikveld verschijnen en wist dat hij op de goede koers zat. De Intrepid zette op 19 november 1969 veilig neer op het maanoppervlak, op minder dan tweehonderd meter van Surveyor 3. Het was een navigatorische mijlpaal.

Twee maanwandelingen en Surveyor 3

In tegenstelling tot Apollo 11, waarbij maar één maanwandeling plaatsvond, maakten Conrad en Bean tijdens Apollo 12 twee afzonderlijke uitstappen. De eerste wandeling was grotendeels gericht op het uitpakken en installeren van wetenschappelijke instrumenten, de zogeheten ALSEP (Apollo Lunar Surface Experiments Package). Deze set meetapparaten — onder andere een seismometer en een meetstation voor zonnewind — zou na vertrek van de astronauten nog jaren zelfstandig blijven functioneren en gegevens naar de aarde sturen.

De tweede maanwandeling stond in het teken van de geologische verkenning van de omgeving en het bezoek aan Surveyor 3. Conrad en Bean liepen naar de rand van de krater en daalden tot bij de sonde af. Ze fotografeerden Surveyor 3 nauwkeurig, verwijderden een camera, een paar buizen en stukken kabels en stopten die in monstercontainers om mee terug te nemen. Zo werd voor het eerst buitenaards materiaal teruggebracht dat al eerder buiten de aarde was geweest — een kleine tijdcapsule van twee jaar ruimteblootstelling. Terug in het laboratorium bleken er zelfs Aardse bacteriën (Streptococcus mitis) in de camera te hebben overleefd, al gaan wetenschappers er inmiddels van uit dat het om besmetting bij de terugkeer ging en niet om overleving in de ruimte.

Tijdens hun wandelingen verzamelden de astronauten ook uitgebreid maangesteente en maanstof. De selectie van monsters uit de directe omgeving van een bekende geologische context — de inslagkrater met Surveyor 3 erin — gaf geologen op aarde een veel rijker beeld van de lokale geologie dan de meer willekeurige monsters van Apollo 11.

Terugkeer en splashdown

Na ruim 31 uur op het maanoppervlak startten Conrad en Bean de Intrepid voor de terugvlucht naar de commandomodule in een baan om de maan. De koppeling met Gordon in de Yankee Clipper verliep vlekkeloos. De Intrepid werd daarna bewust gecrasht op de maan, zodat de achtergebleven seismometer de schok kon meten en zo gegevens leverde over de gelaagdheid van het maanoppervlak. De maan “rinkelde als een bel”, zo beschreven wetenschappers de echo die nog meer dan een uur aanhield, een aanwijzing voor de droge, koude structuur van het binnenste.

Op 24 november 1969 keerde de commandomodule Yankee Clipper terug in de Aardse dampkring en landde in de Stille Oceaan. Een ongelukkig incident bij de landing: een camera sloeg door de schok van de parachutes los en raakte Bean aan zijn hoofd, waardoor hij even buiten bewustzijn was. Hij herstelde snel en bleef geen blijvende schade overhouden. De drie astronauten werden opgehaald door het schip USS Hornet, net als de Apollo 11-bemanning een paar maanden eerder.

Wetenschappelijke nalatenschap

Apollo 12 bracht ruim 34 kilogram maangesteente terug, ruwweg anderhalf keer zoveel als Apollo 11. De monsters bevestigden dat de Oceaan der Stormen geologisch verschilt van de Zee der Rust: ouder lavagesteente, andere mineraalsamenstelling. De pinpoint-landing toonde ook aan dat toekomstige missies gericht konden worden op geologisch interessante locaties, iets wat bij de planning van Apollo 14, Apollo 15 en latere missies direct werd benut.

De ALSEP-instrumenten van Apollo 12 bleven actief tot 1977, toen NASA het station uit budgetoverwegingen uitschakelde. In die jaren leverden ze continue gegevens over maanbevingen, warmtestroming vanuit het maaninterieur en de omgevingsomstandigheden op het oppervlak. Het waren de eerste langdurige meteorologische en geofysische stations op een ander hemellichaam.

De teruggebrachte Surveyor 3-onderdelen werden grondig bestudeerd. Ze hadden twee jaar lang zonder bescherming de zon, kosmische straling en micrometeorinslag doorstaan en gaven ingenieurs waardevolle informatie over materiaaldegradatie in de ruimte, kennis die later toepassingen vond in de ontwerp van zowel ruimtevaartuigen als aardbewakingssatellieten.

Apollo 12 in de bredere context van het Apollo-programma

Apollo 12 staat in de geschiedenisboeken soms in de schaduw van zijn beroemde voorganger en van het dramatische Apollo 13 dat vier maanden later zou volgen. Toch was het belang ervan groot. De missie bevestigde dat het Apollo-programma niet op een gelukkige uitzondering had geleund, maar op echte beheersing van de techniek. De bliksemcrisis liet zien hoe de gezamenlijke inspanning van ingenieurs en astronauten zelfs onvoorziene problemen kon ombuigen. En de pinpoint-landing demonstreerde dat de maan een bereikbaar laboratorium was, niet slechts een verre bestemming om even aan te tikken.

Conrad, Gordon en Bean werden na hun terugkeer onthaald als helden, al trokken ze beduidend minder aandacht dan de Apollo 11-bemanning. Dat bescheidenere podium paste hen prima. Pete Conrad bleef zijn leven lang trots op de missie, niet zozeer vanwege de geschiedenis maar vanwege het werk dat goed was gedaan. Alan Bean stierf in 2018 als de laatste van de Apollo 12-bemanning die overleed; zijn schilderijen vormen een bijzonder, persoonlijk getuigenis van de maanreizen die hij meemaakte. Dick Gordon overleed in 2017, na een leven lang ambassadeur van de ruimtevaart.

De lijn van Apollo 12 loopt rechtstreeks naar de ambitieuzere missies die volgden: de wetenschappelijke verkenning van Fra Mauro door Apollo 14, de geologische rijkdom van de Apennijnbergen bij Apollo 15 en uiteindelijk de uitgebreide expedities waarbij de maanwagen zijn intrede deed. Wie begrijpt waarom twaalf mensen op de maan konden lopen en terugkeren, begrijpt dat Apollo 12 de onmisbare tweede stap was.