De maan
De achterkant van de maan
De achterkant van de maan keert zich door een bijzonder rotatieverschijnsel altijd van de aarde af — pas in 1959 kregen mensen er voor het eerst een blik op. Het is een wereld die er opvallend anders uitziet dan de kant die we kennen.
Wie omhoogkijkt naar de maan, ziet altijd precies hetzelfde halfrond. De vlekkerige donkere vlakten, de heldere hooglanden, de herkenbare patronen die mensen door de eeuwen heen tot fantasierijke vormen maakten — het zijn beelden die geen enkele generatie ooit anders heeft gekend. Toch heeft de maan een keerzijde die nooit door een menselijk oog rechtstreeks werd aanschouwd, tot een Sovjet-ruimtesonde daar in 1959 verandering in bracht. Die achterkant is niet alleen onzichtbaar; ze ziet er ook fundamenteel anders uit en stelde wetenschappers voor raadsels die tot op de dag van vandaag nog niet volledig zijn opgelost.
Het begrip “achterkant van de maan” roept bij veel mensen meteen het beeld op van eeuwige duisternis. Die verwarring is begrijpelijk, maar feitelijk onjuist. Strikt genomen bestaat er geen “donkere kant” in de zin van een plek die het zonlicht nooit bereikt. De zon beschijnt elke vierkante meter van het maanoppervlak tijdens een volledige maanomloop; het is de aarde, niet het licht, waarvoor de achterkant verborgen blijft. De correct term is de verre zijde of simpelweg de achterkant.
De achterkant van de maan in cijfers
Eerste foto's: 7 oktober 1959, door de Sovjet-sonde Loena 3.
Eerste zachte landing op de achterkant: 3 januari 2019, Chang'e 4 (China).
Kraterverhouding: de achterkant heeft significant meer en grotere inslagekreters dan de voorzijde.
Maanzeebedekking: de voorzijde bestaat voor ongeveer 30% uit donkere basaltvlakten; op de achterkant is dat slechts enkele procenten.
Dikste korst: de korst op de achterkant is gemiddeld dicker dan op de voorzijde.
Gebonden rotatie: waarom we de achterkant nooit zien
De reden dat de achterkant permanent van de aarde is afgekeerd, heet gebonden rotatie (in het Engels: tidal locking). De maan draait wel degelijk om zijn eigen as, maar doet dat in precies dezelfde tijd als hij om de aarde cirkelt: ongeveer 27,3 dagen. Die toevallige gelijkheid is geen toeval; ze is het gevolg van de getijdenkrachten die de aarde miljoenen jaren lang op de maan heeft uitgeoefend.
In de vroege fase van het zonnestelsel draaide de maan vermoedelijk veel sneller. De zwaartekracht van de aarde veroorzaakte een zogenaamde getijdenbult in het maanmateriaal. Omdat de maan destijds sneller draaide dan hij om de aarde bewoog, liep die bult altijd iets voor op de richting naar de aarde. De aantrekkingskracht op die uitstulping werkte als een rem, totdat de rotatiesnelheid precies gelijk was aan de omloopsnelheid. Sindsdien toont de maan consequent dezelfde kant. Dit verschijnsel treedt op bij vrijwel alle grote manen in het zonnestelsel en is dus een regelmatige uitkomst van de zwaartekrachtdynamiek.
Overigens is het beeld van een strikt onveranderlijke kant niet helemaal compleet. Door zogeheten libratie — een lichte schommelende beweging van de maan — kunnen aardse waarnemers in de loop van de tijd tot ruim 59% van het totale maanoppervlak zien, al zijn de randen van die extra zichtbare zones sterk vervormd en uiterst moeilijk te bestuderen.
Luna 3: de eerste blik op de keerzijde
Voor de ruimtevaartwereld was de achterkant van de maan decennialang een blinde vlek. Dat veranderde op 7 oktober 1959, toen de Sovjet-sonde Luna 3 een reeks foto's maakte van de verre zijde en ze via radiosignalen naar de aarde zond. De beeldkwaliteit was naar moderne maatstaven bescheiden — wazig, korrelig, weinig detail — maar het was de eerste keer in de geschiedenis dat mensen überhaupt wisten hoe de andere kant eruitzag. Het Loena-programma had opnieuw een primeur geboekt voor de Sovjet-Unie.
De Sovjet-wetenschappers die de afbeeldingen interpreteerden, gaven de nieuw gevonden vormen namen. Een van de opvallendste structuren noemden ze de Zee van Moskou — eigenlijk geen zee maar een betrekkelijk kleine donkere vlakte. Andere namen werden gekozen ter ere van wetenschappers en ingenieurs. Deze naamgevingstraditie heeft tot op vandaag stand gehouden; vrijwel alle topografische structuren op de maan zijn vernoemd naar astronomen, wiskundigen, ontdekkingsreizigers of mythologische figuren.
Latere missies, zoals de Amerikaanse Lunar Orbiter-serie in de jaren zestig en meer recentelijk de Lunar Reconnaissance Orbiter, leverden steeds gedetailleerdere kaarten op. Inmiddels is elk vierkant kilometer van de achterkant nauwkeurig in kaart gebracht.
Een compleet ander uiterlijk
Wie een foto van de achterkant naast die van de voorzijde legt, ziet meteen het grote verschil. De voorzijde — de kant die maanfasen zo herkenbaar maakt — heeft uitgestrekte donkere basaltvlakten, de zogenaamde maria (Latijn voor “zeeën”). Ze beslaan bijna een derde van het zichtbare oppervlak. De achterkant heeft nauwelijks van dergelijke vlakten. In plaats daarvan is het oppervlak vrijwel volledig bedekt met dicht aaneengesloten kraters, van groot tot klein, oud over oud gestapeld.
Dit verschil in zeeën is een van de grote onopgeloste puzzels in de maanwetenschappen. Een gangbare verklaring koppelt het aan de asymmetrie in de dikte van de maankorst: de korst aan de achterkant is gemiddeld dikker dan aan de voorzijde. Nadat het maaninnere na de vorming begon af te koelen, kon het vloeibare maanbasalt aan de dunnerkorste voorzijde makkelijker naar het oppervlak doordringen en grote lava-vlakten vormen. Aan de dikkere achterkant bleef dat grotendeels achterwege.
Waarom de korst zelf asymmetrisch is, is een tweede raadsel. Sommige onderzoekers denken aan een vroegere botsing met een andere grote massa die één kant van de maan sterker opwarmde. Anderen wijzen op gravitationele effecten van de aarde in de vroegste fase van het zonnestelsel. De discussie is nog volop gaande.
Kraters, kraters en nog eens kraters
Het meest karakteristieke aan de achterkant is de dichtheid en de ouderdom van de kraters. Omdat er nauwelijks basaltlava over het oppervlak heeft gestroomd, zijn de oorspronkelijke inslagevormen bewaard gebleven. De achterkant laat daardoor letterlijk de vroegste geschiedenis van het zonnestelsel zien — een soort gesteend archief van de tijd dat het jonge zonnestelsel nog vol rondzwervende rotsblokken en planetesimalen was.
Bijzonder is het Zuidpool-Aitken-bekken, een van de grootste en diepste inslagestructuren die in het gehele zonnestelsel bekend zijn. Dit immense bekken, met een diameter van meer dan 2.500 kilometer en diepten tot bijna negen kilometer onder de omringende omgeving, ligt grotendeels op de achterkant. Wetenschappers hopen door de maangesteente van de bodem van dit bekken te bestuderen de samenstelling van de diepere maanlagen bloot te leggen, wat inzicht zou geven in het vroegste verleden van de maan en zelfs van de aarde.
Chang'e 4: de eerste landing op de verre zijde
Ruim een halve eeuw na Luna 3 zette China een mijlpaal door als eerste land een ruimtevaartuig zacht te laten landen op de achterkant van de maan. Op 3 januari 2019 landde de Chang'e 4-sonde in de Von Kármán-krater, een grote inslagestructuur die deel uitmaakt van het Zuidpool-Aitken-bekken. Het was een technisch indrukwekkende prestatie, juist omdat het bijna onmogelijk was.
Het fundamentele probleem van een landing op de achterkant is de communicatie. Radiosignalen reizen in rechte lijnen en kunnen de aardbol niet ombuigen; de maan zelf blokkeert elk rechtstreeks contact. Om dit op te lossen, had China eerder de relaissatelliet Queqiao gelanceerd en in een stabiele baan achter de maan geplaatst — een zogeheten Halo-baan rond het Lagrangepunt L2 van het aarde-maansysteem. Die satelliet fungeerde als postbode tussen de lander op het oppervlak en de vluchtleiders op aarde.
Chang'e 4 zette ook de kleine rover Yutu-2 af, die langzaam over de kraterbodem reed en met instrumenten de bodemsamenstelling en de lokale stralingscondities mat. De gegevens die Yutu-2 verzamelde, zijn van groot wetenschappelijk belang, niet alleen voor ons begrip van de maan maar ook als voorbereiding op toekomstige bewoonde missies.
Communicatie en de toekomst van onderzoek
De uitdaging van communicatie maakt de achterkant wetenschappelijk aantrekkelijk om een heel andere reden. Het maanlichaam vormt een gigantische afschermer voor radiostraling afkomstig van de aarde. Radiotelescopen op de achterkant zouden kunnen luisteren naar het heelal vanuit de stilste plek in het nabije zonnestelsel, vrij van de radiostorm die de menselijke beschaving voortdurend uitstuurt. Wetenschappers dromen al lang van een radiotelescoop in een grote krater aan de verre zijde; het zou frequenties kunnen bestuderen die vanuit de aarde onmogelijk waarneembaar zijn door de atmosfeer en de achtergrondstraling van radiotechnologie.
Het Artemis-programma en de bredere internationale hernieuwde interesse in de maan maken het realistischer dan ooit om de achterkant verder te verkennen. Naast radioastronomie zijn er plannen voor vervolgmissies die dieper gaan boren of andere locaties in het Zuidpool-Aitken-bekken onderzoeken. De verre zijde van de maan, zo lang het onbekende van een vertrouwde buur, is bezig te veranderen van mysterie in laboratorium.
Culturele betekenis en misverstanden
In de populaire cultuur heerst tot op vandaag de hardnekkige uitdrukking “de donkere kant van de maan”. Van het beroemde muziekalbum tot sciencefictionverhalen: de donkere kant fungeert als metafoor voor het verborgen, het onbekende, het angstaanjagende. Die connotatie is begrijpelijk vanuit poetisch oogpunt, maar verwarrend voor iedereen die de feitelijke astronomie wil begrijpen.
De achterkant is niet permanent donker. Tijdens een nieuwe maan vanuit aardperspectief staat de zon exact recht boven het middelpunt van de verre zijde en beschijnt die volop. Tijdens volle maan is het juist volledig nacht op de achterkant. Het enige wat de achterkant van de voorzijde onderscheidt, is de oriëntatie ten opzichte van de aarde — niet ten opzichte van de zon. Wie ooit de kans krijgt om naar de maan te reizen, zoals de bemanningsleden van de toekomstige Artemis-missies, zal boven het Zuidpool-Aitken-bekken rijdend vaststellen dat de zon er net zo op schijnt als overal elders in het zonnestelsel.
De astronauten van Apollo 11 en de andere Apollo-missies zagen de achterkant vanuit hun commandomodule tijdens elke omloop. Michael Collins, die boven in de commandomodule Columbia bleef terwijl Armstrong en Aldrin op het oppervlak liepen, passeerde de achterkant meerdere keren per dag — de meest geïsoleerde mens ter wereld, volledig buiten bereik van elk radiosignaal. Zijn blik op die ongerepte, zwaar bekraterde wereld was er een die maar weinig mensen ooit zullen evenaren.
Wat de achterkant ons leert over de maan als geheel
Het bestuderen van de achterkant is niet alleen wetenschappelijke nieuwsgierigheid. De asymmetrie tussen de twee helften geeft aanwijzingen over de vroegste geschiedenis van de maan, die op zijn beurt nauw verband houdt met de vorming van de aarde zelf. De dominante theorie over het ontstaan van de maan — de giant impact hypothese, waarbij een Mars-grote planeet in botsing komt met de vroege aarde — voorspelt een bepaalde samenstelling en gelaagdheid die wetenschappers via maanmonsters en seismische metingen proberen te bevestigen.
De maangesteente en het maanstof van de achterkant, in het bijzonder uit het diep gegraven Zuidpool-Aitken-bekken, kunnen materiaal bevatten dat afkomstig is uit de diepe maanmantel — lagen die normaal achter een dikke korstlaag verborgen zitten. Als toekomstige missies dergelijk materiaal ophalen en naar de aarde brengen, zoals eerder de Apollo-missies met maangesteente van de voorzijde deden, zou dat een ongekende doorkijk geven in de inwendige bouw van de maan en daarmee in de vroegste fase van ons planetaire systeem.